9
Vreemd om deze bundel veren zo ronduit te horen spreken,
Ook al zei zijn antwoord weinig – gaf het weinig zinvols weer;
Want ’t moet worden toegegeven dat geen sterveling bij leven
Ooit de aanblik is gegeven van zo’n dier boven zijn deur –
Dier of vogel op’t gehouwen beeld boven zijn kamerdeur,
Met een naam als “Nimmermeer”.

10
Maar de raaf sprak, zittend, eenzaam op het bleke beeld, alleen maar
Dat één woord, alsof zijn hele ziel daarin werd uitgekeerd.
Verder sprak hij met geen woord – en geen veer die nog bewoog –
In mezelf zei ik verstoord: “Andere vrienden gingen heen –
Morgen zal ook hij vertrekken, net zoals mijn hoop verdween.”
Maar de raaf sprak: “Nimmer meer.”

11
Eensklaps was de rust verbroken door dit woord zo snel gesproken.
Zeker, zei ik, wat hij uitbrengt, is zijn enige verweer,
Dat hij bij zijn meester hoorde, die door rampen en door noden
Naar de goot moet zijn verstoten tot zijn zingen keer op keer –
Tot de klaagzang van zijn Hoop dat droef refrein droeg, keer op keer
Van “Nimmer – nimmer meer”.

12
Maar nog steeds door hem bedrogen, tot een lach door hem bewogen,
Sleepte ik gezwind een zetel vlak voor vogel, beeld en deur.
Daar in het fluweel verzinkend, stilaan met elkaar verbindend
’t Eén idee met ’t ander, peinsd’ ik wat die dreigende sinjeur –
Wat die link lugubere, akelig doodse, dreigende sinjeur
Meende met dit “Nimmer meer”.


The Raven

9
Much I marvelled this ungainly fowl to hear discourse so plainly,
Though its answer little meaning – little relevancy bore;
For we cannot help agreeing that no living human being
Ever yet was blessed with seeing bird above his chamber door -

Bird or beast above the sculptured bust above his chamber door,
With such name as “Nevermore.”

10
But the raven, sitting lonely on the placid bust, spoke only,
That one word, as if his soul in that one word he did outpour.
Nothing further then he uttered – not a feather then he fluttered -
Till I scarcely more than muttered “Other friends have flown before -

On the morrow he will leave me, as my hopes have flown before.”
Then the bird said, “Nevermore.”

11
Startled at the stillness broken by reply so aptly spoken,
Doubtless, said I, what it utters is its only stock and store,
Caught from some unhappy master whom unmerciful disaster
Followed fast and followed faster till his songs one burden bore -

Till the dirges of his hope that melancholy burden bore
Of “Never-nevermore”.

12
But the raven still beguiling all my sad soul into smiling,
Straight I wheeled a cushioned seat in front of bird and bust and door;
Then, upon the velvet sinking, I betook myself to linking
Fancy unto fancy, thinking what this ominous bird of yore -

What this grim, ungainly, ghastly, gaunt, and ominous bird of yore
Meant in croaking “Nevermore”.

Edgar Allan Poe