romanfragmenten

Uit:  TIJD VAN DWANG

 

(begin, blz. 11-14)

Onzeherinneringen mengen zich met de verhalen van anderen tot een amalgaam waarin de bestanddelen niet meer te herkennen zijn. De vroegste herinnering die ik aan mijn grootvader heb kan me evengoed nadien ingefluisterd zijn door mijn moeder. De anekdote komt ongetwijfeld van haar, maar de beelden, de indrukken, het spel van licht en schaduw zijn van mijzelf.
  Mijn grootvader loopt met zijn tweejarige kleinzoon aan de hand langs de flank van de Berg, niet meer dan een heuvel in het vlakke landschap, over de steenweg die van Hestenberg naar Hilst leidt. Hij heeft voor de zuidelijke helling van de Berg gekozen, niet de noordelijke waar het kerkhof ligt. Het is kort voor de middag, een stralend zonnige voorjaarsdag, maar het moet nog bitterkoud zijn want ik draag een muts en hagelwitte wantjes. We gaan bergop, de zon valt schuin over de macadam, het is alsof we recht het verblindende licht in stappen en het ons gaat opslokken.
  Minstens een halfuur zijn we al onderweg en we zijn bijna twee kilometer van het huis waar ik samenwoon met iedereen die in mijn kleine wereld belangrijk is. Wanneer het weer het toelaat, en behalve regen en sneeuw laat elk weer het toe, neemt mijn grootvader me in de late ochtend mee en gaan we mijn ouders tegemoet, die naar huis komen voor het middageten. Ik ben nog een peuter en loop niet graag, voortdurend jengel ik opdat mijn grootvader me zou optillen. ‘Vavá, pak!’ Hij geeft altijd toe, zijn bruine leren jas is vooraan helemaal afgesleten door mij rond te zeulen. Ik voel me groot en veilig in die sterke armen. Zijn grijsblauwe ogen glimlachen. Onder de rand van zijn platte pet staan zijn oren wijd opzij. Op bijna alle beelden van mijn grootvader die ik nog voor me zie, draagt hij die pet, hij neemt ze alleen af wanneer hij de moestuin omspit, in de kerk tot Ons Heer gaat of mijn moeder zijn haar knipt. De rand van die pet is nu dicht bij me, net als de pepernoot op zijn wang, die me als peuter evenzeer intrigeert als de broche die mijn grootmoeder op haar zondagse jurk speldt.
  Bij de bushalte aan het Bergbos zet hij me neer. Hier zullen we wachten tot mijn ouders passeren, vanuit hun eerste Volkswagentje uitkijkend naar een man van zevenenzestig en zijn warm ingeduffelde kleinzoon. Ik drentel rond in het oude bushokje met golfplaten dak en vuile ruiten, die door de invallende zon nog smoezeliger lijken, en er bekruipt mij een onweerstaanbare drang om iets te doen wat niet mag. De ruiten bevinden zich onbereikbaar hoog, maar als ik mijn armen strek kan ik net bij het raamkozijn. Een vensterbank kun je het niet noemen, het is een duimbrede metalen rand waar het stof van jaren op ligt. Mijn grootvader waarschuwt, verbiedt, vermaant, maar zijn kleinzoon jaagt zijn eigen wil na en strijkt kirrend met zijn hagelwitte wantjes over het smerige raamkozijn.
  Ik weet niet meer of mijn grootvader vloekte. Hij bezat een uitgebreid gamma aan godverdommes en miljaardenondeju’s, maar de aanblik van die kleine deugniet met zijn muts en wantjes vertedert hem en hij laat begaan. Elk hoekje van de vuile vensterrand wrijf ik schoon. Dan klinkt een claxon en stappen we achter in de auto.
  Wanneer we thuiskomen begroet mijn grootmoeder me met het theatrale enthousiasme waarmee volwassenen peuters aanhalen, terwijl mijn grootvader bromt dat ik mijn wantjes maar eens moet laten zien.
  ‘Wie heeft dat gedaan?’ vraagt mijn grootmoeder op dezelfde theatrale wijze. Woorden falen in mijn mond, ik mag dan al twee jaar zijn, de inspanning van de spraak is nog niet door mijn kinderlijke gemakzucht gebroken. Maar wie heeft zijn stem nodig wanneer hij directere middelen heeft om iets duidelijk te maken? Ik kijk mijn grootmoeder stralend aan en strek mijn arm beschuldigend in de richting van mijngrootvader.
  Zo herinner ik mij wat me nadien vaak is verteld. En zo ontstond de in onze familie vaak opgerakelde boutade dat ik kon liegen voor ik kon praten. In één moeite werd mij, in het eenvoudige middenklassegezin dat we waren, wegens die eigenschap een grootse toekomst als advocaat in het vooruitzicht gesteld.

°

Een andere herinnering dateert van enkele jaren later. Na een hartinfarct en een beroerte is mijn grootvader slecht ter been, hij moet door mijn grootmoeder in bad worden geholpen. Ik zit in een hoekje van de badkamer op het deksel van wat wij de linnenmand noemen, een plastic bak waarin we de vuile was gooien. Mijn grootvader zet met moeite een been op de rand van de badkuip en buigt ondersteund door mijn grootmoeder voorover, waarbij ik zijn geslachtsdelen zie bungelen, van een volwassen grootte die mij als kind onbekend is, ze doen me denken aan de kinlellen van de haan van de buurman.  
  Waarom ik mij daar bevond weet ik niet meer. Waarschijnlijk was er iets misgegaan, had mijn grootvader koppig besloten om zonder hulp in bad te gaan en zich halverwege gerealiseerd dat het een hachelijke onderneming zou worden. Mijn grootmoeder was hem ter hulp geschoten, meteen stond ons huis in rep en roer, ik ging nieuwsgierig op het rumoer af.
  Het was een moment van schaamte. Voor mij omdat ik me zo dicht bevond bij iets waarvan ik instinctief wist dat ik het niet hoorde te zien. Voor hem zat de schaamte elders. Om naaktheid gaf hij niet. Toen hij nog in de Root woonde, een rij armoedige arbeidershuisjes op de grens van de dorpen Hestenberg en Halder, waste hij zich na zijn dagtaak in een zinken tobbe in de woonkamer, waar vrouw en dochter heet water bijvulden uit een kan op de Leuvense stoof.
  Zijn schaamte school die avond in de hulpeloosheid. Kracht en coördinatie hadden het na zijn laatste attaque grotendeels begeven. De oersterke dokwerker die van zijn tienerjaren tot zijn pensioen zakken, balen en kisten van honderd kilo op zijn rug torste, kon het moeilijk verkroppen dat hij van anderen afhankelijk werd. Hij verachtte de hulp die hij niet kon missen.
  Vijf lange jaren later zou hij in een ziekenhuisbed uit zijn zinnen wegzinken en kort voor zijn negenenzeventigste verjaardag na een pijnlijke doodsstrijd overlijden. Ik was net vijftien en opgelucht dat we afscheid konden nemen van de boze man die hij na zijn hersenbeschadiging geworden was. Nadien keerde traag het besef terug dat ook de grote speelkameraad uit mijn kindertijd voor altijd weg was.

-

(blz.302-305)

De basseng heeft me, nog voor ik geboren was, bijna van mijn grootvader beroofd. De haven en zijn eigen roekloosheid. Na een zware storm liggen bij hangar 25 twee lichters zij aan zij voor anker, dubbel geparkeerd als het ware. Het buitenste schip heeft op de Schelde het tempeest ternauwernood overleefd. Zijn lading, een partij staalplaten, is aan het schuiven gegaan en het maakt slagzij. Had het zich niet met de meertouwen kunnen vastklinken aan de lichter die aan de kade gemeerd lag, het was de dieperik in gegaan. Maar voor die lichter vormt het onstabiele schip, dat aanklampt om te overleven, een groot gevaar. Als de lading door de werking van het tij opnieuw gaat schuiven, dreigt het ten onder te gaan en zijn redder mee te sleuren. Aan de reling staat de schipper van de aangemeerde lichter met een bijl in de aanslag om zo nodig de meertouwen door te kappen en de gehavende lichter te laten zinken. Het schip en de lading dreigen verloren te gaan. Op de kade staan de natiebazen te overleggen met de verzekeraars. Om het schip en zijn lading te redden moeten er arbeiders in het ruim afdalen en kettingen aan de staalplaten bevestigen zodat de kraan ze eruit kan tillen. Een levensgevaarlijk karwei. De verzekeraars bieden aan vrijwilligers drie daglonen als bibbergeld, maar de meeste dokwerkers blijven naar de tippen van hun zware werkschoenen staren. Dat geld komt goed van pas, denkt Cel, hij biedt zich aan. ‘Ge zijt zot,’ waarschuwt Jos, ‘wat is nu drie keer de pree van een dag, daar kunt ge uw begrafenis nog niet mee betalen.’ Veel tijd om te beslissen is er niet, het schip helt door het dalende waterpeil al flink over. Jos kan lievemoederen wat hij wil, Cel blijft bij zijn besluit, hij daalt met twee anderen in het ruim af. De kraan laat haar lepels in het schip zakken. Voor de toeschouwers breken eindeloze minuten aan, Cel en zijn kompanen hebben geen tijd om na te denken, het moet vlug gaan. De schipper van de lichter aan de kade staat nog altijd gereed, bijl in de hand, om in geval van nood het gevaarte aan zijn flank los te kappen. Cel werkt haastig maar zorgvuldig, hij schuift de lepels van de kraan tussen de metalen platen en bevestigt de kettingen. Zwaar werk is het niet, Cel is wel wat anders gewend, maar hij beseft nu dat het elke seconde met hem gedaan kan zijn, een gedachte die hij weet te verdringen door zich te concentreren op zijn taak. De eerste stapel platen wordt uit het ruim getild, de lichter schommelt een beetje, als de wieg van een onrustige baby. Intussen heeft de reddingsactie een massa volk gelokt, er gaat rumoer door de menigte op de kade, journalisten schieten foto’s die de dag nadien in de gazet zullen staan. Met elke stapel staalplaten die het ruim verlaat komt de lichter vlakker te liggen. Cel voelt geen spoor van angst meer, hij kent de kuren van een schip en van de Schelde en voelt wanneer die zich verzoenen. Zodra de lichter verlost is van de laatste staalplaten klimt Cel onder luid geklap en gefluit de kade op. De verzekeraars staan gereed om de beloofde premie uit te betalen. Cel weet niet goed wat hij moet antwoorden wanneer Jos hoofdschuddend zijn arm om zijn schouder legt. ‘Cel toch, voor het kapitaal van een ander hebt ge uw leven geriskeerd. En voor wat? Een aalmoes.’
  Met die aalmoes komt Cel ’s avonds thuis. Trots op zijn heldendaad die getuigt van mannelijkheid, hij is toch een echte Mans of niet soms, geeft hij het geld aan Mima. Ze bekijkt het achterdochtig, vraagt hem waar dat bedrag in godsnaam vandaan komt. Mima’s reactie is niet wat Cel had verwacht. Van achter de keukendeur is hun dochter getuige van een zeldzaam harde woordenwisseling.
  ‘Allez Mimmeke, daar moet ge toch geen ambras voor maken?’
  ‘Maar Cel, hoe is ’t mogelijk, wat steekt ge toch allemaal uit!’
  ‘Driedubbele pree, Mimmeke!’
  ‘En as ’t misgegaan was, Cel, as ge d’r in gebleven waart, wat dan, hebt ge daaraan gepeinsd?’
  ‘As, as… As is verbrand hout!’

Om Mima te sussen zweert Cel zijn roekeloosheid af. Maar een eikentak blijft onbuigzaam, zelfs als hij met pensioen is. Ik was een kind toen mijn grootvader laat op de middag thuiskwam van een fietstochtje, compleet uitgewoond, zijn hart in overdrive. Hij reed net als mijn grootmoeder vaak met de fiets rond, op bezoek bij vrienden, klussen bij neefjes of een glas drinken in dat ene café waar een schone madam achter de toog stond, haar naam werd door mijn vader uitgesproken met een gezicht alsof hij net een lepel levertraan binnen had. Wanneer ik niet naar school hoefde nam hij me mee op zijn fiets, op een zadeltje dat hij voor zich op de stang had geschroefd. We reden vaak naar de kapel in het bos, waar zijn oude vrienden zaten te kletsen en pijp te roken op houten banken waar hun gammele fietsen tegenaan leunden en waar ik gefascineerd rondhing bij de zeven waterputten die rond de kapel lagen als symbool van de zeven sacramenten. Of ik ging helemaal op in het gebabbel van die oude mannen,van wie er altijd wel een over mijn bol aaide of me een stuk chocola toestak van een merk dat we thuis niet hadden. We eindigden meestal in de Root, op een bankje in de zon bij de witte, zijn oudste buurman van weleer. Maar die dag was hij er alleen op uit getrokken.Onderweg werd hij voorbijgesneld door een groep jongemannen, het moet de eerste generatie geweest zijn die aan wielertoerisme deed. Op dat ogenblik won de drift het weer van de rede. Met zijn zeventig jaren dacht hij nog mee te kunnen met die jonge gasten. Een eindje op zijn minst, toch? Hij plooide zich dubbel, trapte zo hard hij kon en klampte aan. Het moet een memorabel beeld geweest zijn voor wie dat vreemde peloton zag voorbijsnellen, een kleurrijke bende van renners, toen nog zonder valhelmen, met in hun zog een oude man met fietsspelden om de lange broek, de platte pet diep over het voorhoofd getrokken, die op zijn aftands vehikel, wel tiptop onderhouden en geolied, in hun spoor trachtte te blijven. Al snel ontploften zijn kuiten, bijna ook zijn hart. Hijgend en puffend moest hij het opgeven, de jongemannen laten rijden en dan nog naar huis zwalken. In lamentabele toestand kwam hij het koertje van ons huis op gestrompeld. De rest van de avond lag hij lijkbleek op de sofa.
  ‘Cel toch, waar zit uw verstand?’
  ‘Zijt ge nu echt niet slimmer, va? Wat as ge d’r in gebleven waart?’

-

(blz. 128-130, uit het dagboek van Cel)

Maandag 21 juni 1943 – In de nacht van 21 op 22 juni gaat hier in Krefeld het luchtalarm. Dat is niks bijzonders, er is bijna elke nacht alarm. Maar dan zijn opeens de vliegtuigen daar, veel dichter dan we eerder al meemaakten. We kruipen in de overdekte loopgraaf die we aangelegd hebben en we zitten daar nog maar juist of rondom ons is er al de ene knal na de andere. Door de kracht van de ontploffingen wappert hier onder de grond onze broek rond onze benen alsof we hoog op een stelling staan. Dan weer lijkt het alsof vijftig meter boven ons een camion met kasseien wordt uitgestort. Daartussen voortdurend gedonder en geraas. We hurken tegen de rand van de loopgraaf, met onze ogen dicht. Ik zit te zweten en te bibberen van angst. Er schijnt geen eind aan te komen, we horen tussen de ontploffingen roepen en schreeuwen, maar niemand durft te gaan kijken. Dan slaat er een bom vlakbij in. De grond davert. De sirenes loeien nog altijd. Ik bid en kan alleen maar aan thuis denken.
  Er komen constant nieuwe vliegtuigen met meer bommen. Het is ongelooflijk hoeveel het er zijn. Boven ons drijven nu en dan stofwolken en dikke rook over de loopgraaf. Het bombardement gaat maar door, het lijkt een eeuwigheid. In werkelijkheid heeft het zevenenvijftig minuten geduurd.
  Het laatste geronk van vliegtuigmotoren sterft uit, maar heel de stad brandt. We kruipen uit onze loopgraaf en worden direct opgevorderd om te gaan blussen. Ge ziet bijna niks van de rook. Een deel van ons moet naar het ziekenhuis dat een paar honderd meter verderop in brand staat. ’s Morgens hoor ik van de jongens dat ze echt hun best hebben gedaan maar dat het weinig baatte. Ik ga met enkele makkers vlak naast ons kamp een huis blussen. Uit een poel scheppen we water en de emmers geven we van hand tot hand door. Er komen uit de buurt almaar meer mensen met emmers helpen zodat we een echte ketting kunnen vormen en werkelijk waar, we krijgen dat huis geblust.
  Wanneer het tegen de ochtend al wat licht wordt, gaan we de stad in. Alles staat te branden zodat ge ’t bijna niet kunt houden van de rook. De waterleiding is kapot. We worden naar het plein gebracht tegenover het Krefelder Hof, waar onze Hauptmann logeert. We zouden daar hulp moeten bieden, maar het brandt er als een bakkersoven die met hout gestookt wordt. Er is geen water, we kunnen niks doen. Door de rook en de fijne assen die mee de lucht in dwarrelen wordt het ook niet licht, er blijft een donkere mist hangen. Op den duur leggen we ons op het pleintje op onze buik, omdat we vlak boven de grond het minste last hebben van de prikkende rook. Dan zeggen ze ons dat we daar niet hoeven te blijven en dat we naar eigen inzicht mogen helpen waar we kunnen. Ik ga met een groepje van een man of vijf verder de stad in. We komen in de Lutherische-Kirch-Straße, waar er mensen ineen schuilkelder zitten opgesloten doordat het huis gedeeltelijk ingestort is. Ze roepen in paniek, de kelder is stilaan vol aan het lopen met water van een gesprongen leiding, ze dreigen te verdrinken. We ruimen het puin zo snel we kunnen en tegen de middag kunnen we net op tijd een gat maken waarlangs we hen kunnen bevrijden. Die mensen komen er totaal versuft en half zot van de schrik uit. Hoe zoudt ge zelf zijn als ge in de ogen van de dood hebt gekeken?
  Een open vrachtauto brengt ons buiten de stad, waar we wat soep kunnen krijgen. Hier is het een stralende zomerdag terwijl er in de stad geen zon te zien is door de rook. Het wordt er van de hele dag zelfs niet volledig licht. We worden in de namiddag teruggebracht en beginnen met het opruimen van de straten, maar er is geen gereedschap voor iedereen. Veel kunnen we vandaag nog niet doen. Mijn ogen raken ontstoken door de rook. Een verpleegster druppelt er iets in en dat doet heel goed, maar een halfuur later is ’t weer even erg want ge kunt onmogelijk uit de rook blijven. Voor sommige huizen worden de lijken van slachtoffers neergelegd, de mensen gaan met een doek voor hun mond op zoek naar bekenden.


 

 

‍

BOEKEN