En dan sta je daar die avond op een voetbalveld. Op een van de heuvelen van Gasthuisberg, pal op de grens van Heverlee en Leuven. Je staat daar omdat – tegengesteld aan elke redelijke verwachting – het leven blijkbaar doorgaat.

Boven de verste einder hokken Venus en Jupiter dicht bijeen. Ze staan daar bij elkaar alsof ze dit etmaal onder hun beiden bekokstoofd hebben: een constellatie die rampen moet veroorzaken.

En dan, wanneer datgene wat voor een wedstrijd moet doorgaan al vergevorderd is, beginnen ergens klokken te luiden. Doodsklokken, stormklokken en feestklokken door elkaar, alsof het volop Pasen is. Het gebeier komt onverbiddelijk luid over het veld gerold.

De klokken blijven luiden, blijven hun boodschap over de stad dragen. Een bal wordt het bos in getrapt, iemand gaat op zoek. Anderen staan plots stil, het hoofd gebogen. En daar overheen dat gebeier, almaar dat gebeier.

Je kijkt naar je handen. Almaar het gebeier.