Vanochtend moest ik bellen – mocht ik niet vergeten. Het schoot me gisteren te binnen net voor ik in slaap viel. Ik wist ook dat ik het zeker wél zou vergeten zonder herinnering. Dus deed ik wat ik vroeger als kind deed: 'een ridder zetten'. Ik gleed het bed uit, naar de woonkamer, en gooide daar een krant midden op de vloer. De 'ridder'.

Als kind dat verzot was op de middeleeuwen ruilde ik de punten van het ballen- of schietkraam op de kermis soms in voor bronzen ridderbeeldjes. Van die beeldjes stonden er enkele op het hoofdeinde van mijn bed. Viel me 's avonds bij het slapengaan in dat ik 's ochtends ergens aan moest denken, dan zette ik zo'n ridder naast mijn wekkerradio. Feilloos.

'Een ridder zetten' ging tot onze gezinstaal behoren.

Misschien niet eens Vader, en ik kan het hem niet vragen, want vandaag dag op dag alweer acht jaar geleden, overleed hij. Om me dat te herinneren hoef ik geen ridder te zetten. En toch. Toch schrok ik enkele dagen geleden dat die datum weer bijna daar was.

Was het jeugdsentiment dat ik aan het ridderzetten dacht toen ik vannacht die krant op de grond gooide? Dat ik tegelijk een wachtpost zette voor Vader? Alles raakt voortdurend met elkaar verweven. Het is de wind die door het huis van je bestaan waait. Zet hier een deur open en er waait daar een raam dicht.