Geen levend wezen schermt zijn territorium zo doeltreffend af als een slapende mens op een bijna volle trein. Ik was onderweg van Groningen, van het festival Dichters in de Prinsentuin, weer naar huis, had nog ruim vier uur trein voor de boeg en wou comfortabel zitten.
In het geroezemoes van schuivende deuren ving ik het nadrukkelijke geluid van enkele jonge mannenstemmen op. 'Dat is hier wel een stiltecoupé.' 'Nou en?' 'Daar heb ik in het verleden weleens gezeik mee gehad.'
En inderdaad: alsof ze speciaal voor dat doel uit een zwartekousenkerk gelost waren, stond nu een dame op om de jongens te wijzen op het onweerlegbare feit dat ze zich in een stiltecoupé bevonden.
Ik wisselde een betekenisvolle blik met mijn reisgezel. We dachten allebei hetzelfde en ik dacht daarbij ook nog eens aan iets wat Rodaan Al Galidi de vorige dag had verteld. Rodaan werd tegengehouden door politieagenten omdat hij zonder fietslamp reed. 'Meneer, u rijdt zonder licht rond.' 'Neen hoor, ik heb wel licht,' antwoordde Rodaan. 'Waar dan?' Waarop Rodaan met een brede glimlach over zijn hartstreek aaide en sprak: 'Hier!' 'Dát zou dus in Nederland nooit kunnen gebeuren!' voegde hij eraan toe.