Je sterft. Je geheugen wordt gewist. Één herinnering mag je bewaren. Wat zou die zijn?
Welke herinnering zou ikzelf willen bewaren? Antwoord: de geur in de gang van het huis van mijn ouders.
De gang was tevens hall en trappenhuis. De geur die er hing kan misschien nog het best omschreven worden als de afwezigheid van geur. Het rook er niet, je snoof alleen een onwereldse frisheid op. Niet de geur van schoonmaakproducten, niet die van boenwas op de trapspijlers, maar een volstrekt authentieke geur van koele frisheid. Als kind bracht die geur me naar het voorgeborchte van de slaap.
Zelfs nu, nu nog, wanneer ik eens die trap op loop, treft me die geur als een onveranderlijk en een geluksgevoel genererend baken.
Ja, laat dat maar de laatste herinnering zijn die bewaard wordt, voor de grote slaap.